Gods Grote Gieter
Vlak voor het passeren van de evenaar werd er omgeroepen
dat er dolfijnen voor de boeg te zien waren, zodat iedereen naar de voorplecht
rende. Het was een afleidingsmanoeuvre om ongezien achter op het dek een zodiac
te water te laten, terwijl de snelheid van het schip was teruggebracht tot
bijna nul. Geen dolfijnen te zien, maar daar verscheen ineens de zodiac in
beeld, met daarin een merkwaardige verschijning: een staande figuur in een
lang, wapperend lichtblauw gewaad, een woeste witte baard, een zilveren kroon
en een drietand. Neptunus zelf! Hij balde zijn vuist naar de mensen op de boeg
en schreeuwde luidkeels dat het schip moest keren en dat iedereen moest
opsodemieteren. “Weg uit mijn oceaan, dit is MIJN oceaan, go home!” brulde hij
woest. Na een rondje om het schip kwam zijne hoogheid aan boord, waar hij
vergezeld door zijn lieftallige echtgenote (de op weerzinwekkende wijze als
vrouw vermomde baardige James) plaatsnam op het achterdek. Chef Ralph had een
grote pot met vieze derrie klaargemaakt, met havermout, klonterig meel, stroop,
en chocoladepoeder voor de kleur. Neptunus had een dode vliegende vis (de
vorige dag op het dek gevonden) om zijn nek hangen. Iedereen moest zich bij
Neptunus melden, de vis kussen, de vieze voet van zijn vrouw kussen en werd
daarna stevig behandeld met drek, voorzien van een Neptunusstempel ergens op
buik of rug, en tenslotte afgevoerd naar de haaienpoel (de met zeewater gevulde
zodiac). Ondertussen vloeide de door de hotelstaf aangerukte punch rijkelijk. Neptunus
had een heel leger duivelse helpers die de mensen naar hem toe sleepten en
dwongen voor hem te knielen. Nadat iedereen behandeld was, werd onder luid
gejuich de rest van de vieze pap over Neptunus zelf uitgegoten, die daarna zelf
ook wel een badbeurt kon gebruiken in zodiac, waarin menigeen vrolijk in het
drabbige water lag te wentelen, met een bekertje punch erbij. Een Mooi feest.
En, o ja, ik was Neptunus. Die eer is mij denk ik al een keer of tien ten beurt
gevallen.
Een dag voorbij de evenaar viel de wind weg, onze trouwe
zuidoostpassaat die we de afgelopen dagen zo fijn in de rug hebben gehad. We
waren aangeland in de doldrums, de windstille zone nabij de evenaar waar de
zuidoostpassaat van het zuidelijk halfrond en de noordoostpassaat van het noordelijk
halfrond elkaar ontmoeten en samen in een enorme convectiecel opstijgen, als
gevolg van opwarming door de zon, die hier zijn hoogste stand bereikt.
Opstijgende lucht koelt af waardoor waterdamp condenseert en regen vormt. In
deze zone vallen de zware tropische regenbuien die op het land in de
equatoriale zone het tropisch regenwoud voeden. Maar ook op zee kregen we een
paar fikse buien te verduren, met zwaar onweer. Tussen de buien door gingen de
vogelaars bij gebrek aan vogels met hun telelenzen maar weer op de vliegende
vissen schieten, die nu over de spiegelgladde zee zeilden met perfecte
spiegelbeeldjes eronder. De zone waar de passaten elkaar ontmoeten en waar de
opstijgende lucht regen veroorzaakt heet de Intertropische Convergentiezone (Inter
Tropical Convergence Zone, ITCZ). De ITCZ schuift met de seizoenen heel
langzaam tussen de Kreeftskeerkring op het noordelijk halfrond en de
Steenbokskeerkring op het zuidelijk halfrond heen en weer, achter de hoogste
zonnestand aan, op het land de regenwouden begietend. Op zee ben je er in een
dag doorheen, terug in de zon, maar nu met de noordoostpassaat schuin tegen. Ik
noem de ITCZ ook wel de GGG: Gods Grote Gieter.